Afl. 15 - De verboden kermisbelasting

Gepubliceerd op 21 februari 2024 om 11:00

Het bestuur van de fanfare in 1926, Jacques Maessen zit tweede van links. Foto uit de jubileumgids van fanfare Wilhelmina van dat jaar. 


Het culturele leven dat vanaf 1815 in Nederland tot bloei was gekomen, drong aan het einde van die eeuw ook door tot de uithoeken van de provincies. In de Limburgse dorpen kwamen eerst liederentafels en later steeds meer fanfares en toneelverenigingen. De fanfare van Vlodrop, Wilhelmina, dateert van 1900 en zij was al snel de meest geziene en best gehoorde vereniging van het dorp. Het besturen ervan was een gewichtige zaak, want er ging tamelijk veel geld in om. Bovendien was het de gewoonte dat de mannen van het bestuur en de beschermheer bij een rondtocht altijd pontificaal voor de muzikanten uitliepen. Als fanfarebestuurder kwam je goed in beeld, je was belangrijk.

De geschiedenis van fanfare Wilhelmina is een aaneenschakeling van conflicten afgewisseld met successen. Eén van die conflicten liep zo hoog op dat het gouvernement in Maastricht zich ermee ging bemoeien omdat de burgemeester er de hoofdrol in speelde. Het conflict heeft nooit de krant gehaald, maar het heeft er wel toe bijgedragen dat er een vroegtijdig einde kwam aan de loopbaan van burgemeester Jacques Maessen. Wat is er gebeurd?[1]

Wijnhandelaar

In de zomer van 1926 ging een stekelig pamflet rond in het dorp dat was ondertekend door onder meer gemeentesecretaris Peter Mulders, iemand van de familie Croonenberg en de prominente Gerard Krekelberg. Sinds enkele jaren moesten kasteleins die op kermiszondag een dansgelegenheid hadden met een orkestje, daarvoor een heffing betalen, een soort dansbelasting. Maar waar was die heffing voor bedoeld en waar ging het geld heen?

Het pamflet suggereerde dat de opbrengst in de zak van burgemeester Maessen belandde. Die was beschermheer van de fanfare en Maessen vulde die rol met ongebruikelijk veel ijver in. Hij leidde zelf de bestuursvergaderingen en fungeerde feitelijk als voorzitter. Gemeentesecretaris Mulders vond dat de burgemeester, zijn directe baas, te eigenzinnig leiding gaf en Mulders was daarom uit het bestuur gezet. Mulders’ vrouw, Helena Frenken, was daar zo ontdaan over dat zij op 19 juli 1926 een emotionele brief aan de commissaris van de koningin schreef.

Naast de dansbelasting was er nog iets aan de hand, namelijk de bestelling van wijn voor het jubileumconcours van de fanfare dat kort daarvoor was gehouden. Helena Frenken beweerde dat de burgemeester had geregeld dat alle wijn voor het concours besteld werd bij zijn neef, wijnhandelaar Jean Maessen, in Roermond. (Deze Jean was trouwens ook een neef van Helena Frenken, dus zij was indirect weer familie van de burgemeester.) (Tekst gaat door onder de foto.)


Fanfare Wilhelmina bij het jubileum in 1926. Foto uit de toen verschenen feestgids.


Eigendunkelijk

Het bestuur van de fanfare vond dat de burgemeester zijn neef te veel bevoordeelde en had verlangd dat in elk geval een kwart van de wijn zou mogen worden geleverd door fanfarelid Jos op het Veld, die handelsreiziger in wijn is. Maar de burgemeester had daar niets van willen weten: alle wijn moest van zijn neef Jean in Roermond komen. Toen de ruzie daarover hoog opliep, heeft Helena in een brief aan de burgemeester op verzoening aangedrongen, maar die brief ging al gauw rond in de cafés en Helena en haar man, de gemeentesecretaris, werden ermee bespot.

Helena noemde de burgemeester 'eigendunkelijk, zonder te letten op recht en billijkheid'. Zij vond het niet erg dat haar man na korte tijd alweer uit het bestuur was gezet, want hij was 'een persoon die een openbaar ambt bekleedt'. Het zou beter zijn als de burgemeester ook maar uit de fanfare zou treden. Dat zouden diens vrouw en kinderen ook willen want 'hij is bijna elke avond van huis'. 'Dan zou misschien ook terugkeren de vrede tusschen vele inwoners dezer gemeente en zouden gezelligheid en ontspanning meer dan tot dusver gezocht worden in eigen familiekring.' Met andere woorden: onder leiding van Jacques Maessen was de fanfare een liederlijk gezelschap geworden dat het gezinsleven verstoorde.

De gouverneur in Maastricht nam de brief van Helena serieus want hij vroeg burgemeester Maessen om opheldering. Hoe zat dat precies met die dansheffing voor de kasteleins? Dat was immers een vorm van gemeentelijke belasting en zo'n raadsbesluit had koninklijke goedkeuring nodig en die was er niet. En als de opbrengst van die heffingen naar de fanfare ging, dan was dat ook volkomen fout, want die moesten in de gemeentekas worden gestort.

Het bleek inderdaad niet te deugen. In een verwarde brief verontschuldigde de burgemeester zich dat niet alles volgens het boekje was gegaan, maar hoe het precies zat, wist hij niet uit te leggen. Daar nam het provinciehuis geen genoegen mee en de secretaris van de gouverneur kwam persoonlijk naar Vlodrop om het uit te zoeken. Wat ontdekte hij?

Caféhouders

Oorspronkelijk was het zo dat alleen fanfare Wilhelmina op de kermiszondagen dansmuziek mocht spelen in een tent op de Markt, maar de kasteleins in het dorp hadden zich over dat monopolie van de fanfare beklaagd. Zij wilden ook dansgelegenheid bieden en bier verkopen. Daarop had burgemeester Maessen bedacht dat de kasteleins wel dansen mochten organiseren, maar dat ze dan een heffing moesten betalen aan de gemeente, net als de mensen die met een kermisattractie op de Markt stonden.

Waar ging het financieel om? Tijdens de zomerkermis van 1925 waren er vier caféhouders waar je mocht dansen: Op het Veld, Wolken (Tussen de Bruggen), Van der Beek en Moors (Station). Die betaalden bij elkaar 55 gulden. En de kraamhouders op de Markt waren toen een draaimolen, een schommel, een schiettent en drie suikerkramen. Zij betaalden bij elkaar 69,50 gulden aan staangelden.

Al vanaf 1921 werden deze heffingen elke zomer- en winterkermis geïnd en burgemeester Maessen draaide er niet omheen dat het geld ten goede was gekomen aan de fanfare, waarvan hij beschermheer is. Het muziekgezelschap had zo immers minder gasten in zijn danstent op de Markt en kon het geld goed gebruiken.

Toen het gouvernement vroeg wanneer hierover in de gemeenteraad een besluit was gevallen, kon Maessen geen sluitend antwoord geven. Zijn reactie riep alleen maar meer vragen op. Tot overmaat van ramp werd hij ziek en kon hij niet antwoorden op nieuwe vragen. Daarom schreef zijn dochter op 5 september maar een briefje aan de gouverneur. Haar vader lag al tien dagen in bed 'met een gevaarlijke puist in zijn nek, een zgn. negenoog'. Hij had veel pijn en de dokter zei dat het nog wel tien dagen kon duren voor hij weer aan het werk kon.

Drie weken later probeerde Maessen met een heel pakket aan stukken te bewijzen dat het echt wel deugde wat hij had geritseld. Hij stelde een nederige brief op met uitvoerige verontschuldigingen aan de gouverneur. Daarbij voegde hij een rommelig briefje van de mannen die in 1921 in de gemeenteraad hadden gezeten, waarin zij verklaarden dat de raad toen unaniem had besloten tot de vermaledijde heffingen. Maar een bewijs van dat besluit kwam niet op tafel.

Vuile circulaire

Maessen zette alle zeilen bij om zijn hachje in het provinciehuis te redden. Hij produceerde ook een verklaring van het bestuur van de fanfare om een einde te maken aan het verhaal dat hij de heffingen in eigen zak zou hebben gestoken. Erg plechtig was die verklaring niet. De ondertekenaars namen de burgemeester in bescherming en schreven: 'Het aangehaalde in de vuile circulaire van Mulders, Croonenberg en Krekelberg zijn grove leugens'.

De affaire bleef voor Maessen niet zonder gevolgen, want de gouverneur schreef hem op harde toon dat het 'in het belang uwer positie als burgemeester noodzakelijk is aan alle betrekkingen met bedoeld muziekgezelschap voorgoed een einde te maken'. Het was opnieuw een deuk in de reputatie van Maessen, en niet zijn laatste.

Uit de stukken over de verdwenen kermisgelden blijkt dat de scheidslijnen voor en tegen de burgemeester dwars door families heen liepen. Het kan niet anders of in het najaar van 1926 is aan de keukentafels en in de cafés veel gebekvecht is over het manipuleren van de burgemeester.

De zaak zou in de gemeenteraad nog terugkomen. Daarbij kwam ook nog een botsing tussen gemeentesecretaris Mulders en pastoor Martens over de nieuwe kerk. Volgende week verder.

Noten:
[1]
Bron van dit verhaal zijn documenten in het Regionaal Historisch Centrum Limburg, 04.05, Archief Kabinet van de Commissaris der Koningin in Limburg 1914-1944, inv. nr. 349.


Bewaar deze serie als fraai boek over Vlodrop

Deze serie gaat ook als boek verschijnen met alle foto's. Ga hier naar de webshop


Reactie plaatsen

Reacties

Piet M.A Van de Venne
2 maanden geleden

Pieter, mooi stuk kleine geschiedenis.